Onze kleine...

Het was in de herfst. De wind loeide rond het gebouw, de regen sloeg met vlagen tegen het slaapkamerraam. Op de een of andere manier geeft het me een knus gevoel. Ik doe het lampje boven mijn bed uit en overdenk de dag nog eens. Het was best druk. Een autobrandje, twee keer automatisch alarm en aan het begin van de avond zelfs nog een flinke zolderbrand. Zoals wel vaker bij dit soort branden ontstaan door een wasdroger. En ook op de kazerne hebben we niet stilgezeten. Sporten, verschillende voertuigen gecontroleerd en een oefening hulpverlening bij verkeersongevallen volgens het "Custers" systeem.

Ik draai me op mijn zij en sluit mijn ogen. Het is altijd of je dan 's ochtends pas weer wakker wordt, of, dankzij het alarm op een of ander tijdstip midden in de nacht.
Het is rond een uur of drie als het licht aanspringt en het intern alarm inderdaad van zich laat horen.
"Woningbrand Gerard Doustraat, er is nog een hond binnen" schalt de stem van de centralist uit de intercom. Snel schiet ik mijn kleren aan en ren de gang op, waar andere ploegleden ook uit hun slaapkamers tevoorschijn komen. Binnen een minuut na het alarm rijden we de straat op. Ruim voor we ter plaatse zijn heb ik mijn perslucht om en ben ik er klaar voor.

Na een rit van een minuut of vier zijn we in Helmond-Noord en draaien we de Gerard Doustraat in.
Er staan verschillende mensen buiten op straat en aan de achterkant van het rijtjeshuis in het midden van een rijtje, is een rode gloed waarneembaar.

"Helmond 830 en 851 ter plaatse" meldt de bevelvoerder. Als ik uit wil stappen komt er een vrouw hysterisch aangerend. "Help, onze kleine is nog binnen, help toch!". Verder is er geen zinnig woord uit te krijgen. De bevelvoerder stuurt mij en mijn collega Ralph naar binnen met de opdracht onmiddellijk de kleine te zoeken. Twee anderen schermen de keukenbrand af, terwijl wij de bovenverdieping verkennen.

Je mag aannemen dat een kleine 's nachts om drie uur in zijn slaapkamer ligt. Maar als we boven zoeken, horen we over de portofoon dat de andere ploeg de kleine beneden in de buurt van de keuken gevonden heeft. Snel gaan we naar beneden, en wat schetst mijn verbazing? Daar ligt een grote gozer van een jaar of achttien op de grond. "Onze kleine".

Daar had ik als rechtgeaarde Zeeuw niet aan gedacht: dat een Helmonds vrouwtje haar grote zoon, nog groter dan ikke, nog steeds "onze kleine" noemt.

We brengen de jongen snel naar buiten en beademen hem; met assistentie van de reeds aangekomen ambulance, die voor de zekerheid toch gewaarschuwd was. Als hij is afgevoerd, en het brandje geblust, kunnen we al snel terug naar de kazerne. Daar staat mijn reeds afgekoelde bed op me te wachten.

De "kleine" maakt het weer goed, bij ons een voldaan gevoel achterlatende.