|
Niet voor niks...
Half
juli…zomer. De bomen staan vol in bloei, de vogeltjes fluiten vrolijk.
De zon straalt aan de hemel, en verdampt met zijn stralen een plasje water, het
restant van een paar uur eerder gevallen regenbui.
De deuren van de kazerne staan open. Een fris avondbriesje blaast door de
kazerne.
Buiten raast een lange goederentrein voorbij, onderweg naar Duitsland. Een
trilling gaat door het gebouw.
Ik
sta lekker in mijn T-shirt mijn auto te wassen. Hard nodig, de originele kleur
was nauwelijks meer zichtbaar. In de verte hoor ik het snerpende geluid van een
slijpschijf in de werkplaats. Theo is weer druk aan de gang met zijn nieuwste
project, een kast voor in zijn paardenstal. De rest van de ploeg hangt boven
uitgeteld voor de televisie.
De samenstelling van de ploeg is momenteel anders dan normaal. Het is
vakantieperiode en de helft van het personeel is op vakantie, de andere helft
zit door elkaar heen gehusseld in twee ploegen.
Het
is rond een uur of zeven als de “rust” in de kazerne verstoord word door het
alarm.
We moeten naar de Medevoort, daar zijn twee auto’s op elkaar gebotst, en
vermoedelijk zit er iemand bekneld.
Binnen een minuut zijn we vertrokken, ik rij de hulpverleningswagen. Het verkeer
voor de kazerne is netjes gestopt voor onze stoplichtinstallatie, dus we hebben
vrij baan.
In de verte zie ik een ambulance voor ons rijden, waarschijnlijk ook onder weg
naar het ongeval. Op de Traverse, de hoofdweg door het centrum van de stad, moet
ik vol in de remmen als plotseling een ouder echtpaar met de auto naar links
uitwijkt zonder te kijken.
Het gaat net goed. Ik zeg niets, maar mijn collega ziet aan mijn gezicht wel wat
ik denk.
We verlaten de hoofdweg door de stad, en draaien de Burgemeester Krollaan op,
het verlengde van de Medevoort. In de verte, net buiten de bebouwing, ontwaren
we het ongeval, precies in een bocht.
Ik
zet de hulpverleningswagen voor het ongeval, dwars over de weg.
De mensen van de ambulancedienst, ook net ter plaatse, onderzoeken een
inzittende van één van de auto’s, een nog jonge vrouw. Al snel is duidelijk
dat het dak van de auto verwijderd zal moeten worden. De verpleegkundige van de
ambulance vermoedt dat er sprake is van rugletsel, en wil het risico niet nemen
om de vrouw zo uit de auto te halen. Werk voor ons dus!
Samen
met Frank en Roland begin ik het redgereedschap klaar te maken, terwijl Frans en
Tinus de auto stabiliseren. Dit “stabiliseren” houdt in dat we onder de auto
een soort plastic blokken schuiven, en daarna de banden van het voertuig leeg
laten lopen. Hierdoor beweegt de auto nauwelijks nog wanneer we het dak er af
gaan knippen, wat voor de toestand van de patiënt natuurlijk veel beter is.
Het ambulancepersoneel is ondertussen druk bezig met de jonge vrouw, die
duidelijk veel pijn in haar rug heeft. Ze komt me bekend voor, ik weet alleen
niet waarvan.
Na het stabiliseren van de auto beginnen Frank, Frans en Tinus aan het
verwijderen van de ruiten van het voertuig. Het vrouwtje wordt afgedekt met een
doorzichtig zeil, zodat ze niet onverhoopt onder het glas komt te zitten. De
vriend van het vrouwtje staat aan de kant onthutst het tafereel gade te slaan.
Net als de eigenaar van de geparkeerde auto waar hij tegen aan is gereden. Ik
irriteer me aan enkele pottekijkers die het allemaal weer beter weten. Ik moet
ingedeeld als chauffeur van de hulpverleningswagen bij het voertuig blijven en
snel al het nodige gereedschap aanvoeren. Ik kan mezelf dus niet ontrekken aan
het groepje beterweters. “Tjonge jonge, die brandweer, knippen ze heel die
auto kapot, alsof ze dat vrouwtje er zo niet uit kunnen pakken!”.
Ik span ruim achter de hulpverleningswagen een lint waar de politie het groepje
achter zet.
Zo. Nu zien ze helemaal niks meer, ook weer opgelost!
Ondertussen is de rest van de ploeg zo ver dat het dak van de auto geknipt kan
worden. Met z’n allen ondersteunen we het dak, terwijl Frans en Tinus de
stijlen doorknippen. Enkele minuten later is de “cabrio” gereed! Het
ambulancepersoneel pakt een “wervelplank”, een speciale hard-plastic plank,
waar het slachtoffer helemaal op vastgegespt wordt. Dit voorkomt ook weer dat ze
enig extra letsel overhoudt aan de bevrijdingsactie. Voorzichtig wordt ze
vastgemaakt op de plank, waarna we haar met z’n allen op de brancard kunnen
tillen. Dat is ook altijd weer een hele toer met alle zuurstofslangen,
infuusslangen etcetera. Een half uur na onze aankomst gaan de gele deurtjes van
de ambulance dicht en wordt het slachtoffer afgevoerd naar het ziekenhuis.
Het
is misschien raar of hard voor buitenstaanders om het zo te zeggen, maar zodra
die gele deurtjes dicht gaan is het voor mij ook helemaal afgelopen. Het
slachtoffer is op dat moment voor de ambulancedienst en daar houdt het voor mij
op. Oké, ik lees de volgende dag natuurlijk wel in de krant hoe het afgelopen
is, maar ik sta er eigenlijk nooit bij stil hoe het een slachtoffer verder
vergaat. Als je dat namelijk allemaal bij moet gaan houden in dit beroep, dan
kan je beter iets anders gaan zoeken, want dat breekt je op den duur gewoon op.
Sommige slachtoffers blijven natuurlijk wel hangen, zeker kinderen. Daarvoor
zijn wij net zo goed gewoon mens. Gelukkig komen we dat niet zo vaak tegen. Maar
als er dan eens echt iets is wat moeilijk van je af te zetten is, dan zijn er
altijd nog de collega’s die je er weer wel overheen helpen.
“Inpakken,
jongens, goed gewerkt” roept Teun naar ons. We beginnen de slangen van het
hydraulische redgereedschap terug op de haspels te rollen, al het gereedschap
terug op de wagen te pakken, en het wegdek schoon te maken. Een half uurtje
later is de Medevoort weer als vanouds, een rustig landweggetje… Alleen een
natte plek van het water waarmee we de weg hebben schoongemaakt en wat
glasscherven in de berm herinneren aan het drama wat ruim een uur eerder
plaatsvond.
We
rijden terug naar de kazerne, begeleid door een flauw avondzonnetje…
We
zitten net aan de koffie na te praten over het ongeval, als de deurbel gaat.
De bemanning die bij het ongeval was staat voor de deur.
Dat gebeurt wel vaker bij ons, even nabespreken met het personeel van de
ambulance erbij, daar worden we allemaal altijd weer wat wijzer van! Wat ging er
goed, wat ging er fout?
Onze inzet heeft in ieder geval een dwarslaesie voorkomen, want ze had inderdaad
een gebroken ruggewervel!
Helaas krijgen de ambulancejongens na tien minuten al weer een oproep voor een
nieuwe spoedrit…
De
zeep op mijn auto is ondertussen helemaal opgedroogd, zodat ik weer opnieuw kan
gaan poetsen. Nou en, we hebben toch weer een mooie klus geklaard? Het is al
tegen tienen als ik mijn autootje achter op de parkeerplaats zet. Zo, nog even
de krant van vandaag lezen en dan gaan genieten van een welverdiende nachtrust!
Het
is tegen half vijf ´s nachts als het alarm mij met veel kabaal wakker maakt.
”Attentie, brand in of bij een school, Mahoniehoutstraat” spreekt de
enthousiaste centralist over de intercom.
Mezelf
aankledend ren ik naar beneden toe, en trek snel mijn bluspak aan. “Hoogwerker
mee” roept Teun tegen Roland en mij.
”830, 851, melding van een school in brand, Mahoniehoutstraat in de wijk
Mierlo-Hout, we hebben al diverse meldingen binnen, het zou een uitslaande brand
betreffen…” klinkt het over de mobilofoon.
Als
we de Engelse Weg oprijden ontwaren we in de verte boven de wijk waar de
Mahoniehoutstraat ligt, een grote vuurgloed. De alarmcentrale geeft door dat we
een extra tankautospuit ter assistentie krijgen van Mierlo, gezien de vele
meldingen die spreken over een grote uitslaande brand.
"Ik denk niet dat we vannacht ons bed nog terug zien" zegt Roland. Ik
kan alleen maar instemmend knikken.

Als
we bijna ter plaatse zijn zien we huizenhoge vlammen boven de school uitkomen.
Teun schaalt op naar "zeer grote brand" en vraagt twee tankautospuiten
extra ter plaatse.
Er lijkt voor ons geen redden aan. De aula, precies het midden van het gebouw,
staat geheel in brand.
Diverse lokalen er rond heen branden ook al volop, terwijl uit alle andere
lokalen volop rook komt.
Doordat het gebouw vrij staat, is er in ieder geval geen overslaggevaar voor de
omgeving.
Al kort na ons arriveert een voertuig van brandweer Mierlo, die ons in eerste
instantie helpen de waterwinnig gereed te maken en de hoogwerker te voeden. Ik
ga met Roland de lucht in, en proberen uitbreiding naar twee lokalen die nog
niet branden vanuit de lucht te voorkomen. Een krachtige waterstraal van het
waterkanon dooft al snel de grootste vlammen richting die hoek.
In de verte zie ik twee tankautospuiten van ons korps over de rondweg aan komen
rijden.
Enorme rookwolken trekken weg over de wijk, opgehitst door een stevige bries.
Na een half uurtje zijn rond het hele gebouw stralen ingezet, en zijn de ergste
vlammen verdwenen, net als het grootste deel van de school. Het nader bericht
"brand meester" kan gegeven worden, de druk is van de ketel.
Het is nu al duidelijk te zien dat de hele school verloren is. Ik begin het
ondertussen toch wel koud te krijgen in de korf van de hoogwerker, het is ook
nog eens gaan regenen.
Een
busje met koffie arriveert en Roland en ik kunnen naar beneden komen. Twee
anderen nemen ons werk over, tijd voor een bakje! We praten wat met diverse
collega's van Mierlo, die ook net op adem staan te komen.
We zijn het er over eens, op zich een mooie klus, alleen geen eer meer aan te
behalen.

Ondertussen is het ook alweer langzaam licht geworden. Grauwe grijze rookwolken
trekken weg, en gaan ongemerkt over in de grijze regenwolken. Hier zal in ieder
geval geen les gegeven worden na de vakantie, dat staat vast.
Om een uur of kwart over acht worden we afgelost door de in dienst komende
nieuwe beroepsploeg. Met een busje rijden wij terug naar de kazerne waar ik
lekker een douche pak.
Daarna ga ik op de fiets naar huis. We zijn weer niet voor niks in dienst
geweest!
Alhoewel de brand van 's nachts uitgebreid de aandacht van de landelijke media
trok, hield ik van het ongeval op de Medevoort toch een voldaner gevoel over!
|