De eerste dag
(Het originele hoofdstuk 1 uit het boek "Alarm voor de 830)

Het was kwart over zes in de vroege ochtend toen ik, klam van het zweet, wakker schrok. Vaag kon ik de contouren van mijn slaapkamer waarnemen. In de verte hoorde ik een pauw krijsen in het dierenparkje achter mijn huis. Het duurde even voordat het tot mij doordrong dat dit niet mijn vertrouwde woonomgeving was, waar ik de eerste éénentwintig jaar van mijn leven had doorgebracht.

Ik was twaalf jaar toen ik bij de jeugdbrandweer in Vlissingen begon. Wie wil er immers als kind geen brandweerman worden? Die jeugdbrandweer bleek een soort kweekvijver voor de "echte" brandweer. Spelenderwijs worden de beginselen van het brandweervak aan de jeugd bijgebracht. Wanneer je achttien bent kun je doorstromen naar de brandweer. Zo gebeurde het bij mij ook. Op mijn jeugdbrandweertijd volgde een periode van drie jaar als vrijwilliger.
Tot vandaag. Want vandaag is mijn eerste dag bij de beroepsbrandweer. In een voor mij geheel vreemde stad met voor mij allemaal onbekende mensen. Een nieuw hoofdstuk in mijn nog jonge leven vangt aan.

Piekerend staar ik naar het plafond. Hoe zouden ze zijn? Zouden ze mij accepteren? Wat zouden ze van mij vinden? Ik wou dat de wekker afging. De pauw krijste opnieuw in de verte. Ik voelde mezelf opgelaten, eindelijk beroeps, maar tegelijkertijd ook ontzettend eenzaam en alleen. Alles moest ik opnieuw op gaan bouwen.
Al mijn vrienden woonden nu tweehonderd kilometer verderop, aan zee, net als mijn ouders en mijn opa. Wat zou de toekomst brengen?
Het bleef maar spoken in mijn hoofd en ik kreeg de slaap niet meer te pakken.

Eindelijk liet de wekker van zich horen. Zeven uur.
Met een min of meer acrobatische sprong jumpte ik uit bed.

Nog een uur en dan was het zover. Snel nam ik een douche en kleedde mezelf aan. Nog snel een tosti en dan op de fiets naar de brandweerkazerne, mijn kazerne!

Tijdens het eten van mijn tosti merkte ik dat mijn hand trilde. Mijn moeder belde nog vlak voordat ik wegging om me op te beuren. Na een trillend "doei" ging ik vervolgens op weg naar mijn toekomstige werk en collega`s, ik moest opschieten want het was al half acht geweest.

Uuuuuh... De deurbel van de brandweerkazerne ging door merg en been.
Een al wat oudere man met grijs haar verscheen aan de deur en vroeg of hij mij kon helpen.
"Ik... eh...ik kom hier om... eh... te werken" stamelde ik.
"Ha, de nieuwe!, kom binnen"

"Ik ben René" stelde ik mezelf voor.
"En ik ben Henk" zei Henk.
"Loop maar mee, dan beginnen we met een kopje koffie" en met grote stappen liep hij naar een soort kantine. Daar zaten minstens vijftien mensen koffie te drinken, ik voelde mijn hoofd langzaam rood worden.

"Dit is René, de nieuwe, die in de plaats van Alfred komt" stelde Henk mij voor.
"René, dit zijn de B en de C-ploeg, de B gaat naar huis en C zit de komende vierentwintig uur aan dit gebouw vast" zei Henk.
Ik stelde mezelf aan iedereen voor, maar eenieders naam ging het ene oor in en het andere oor weer uit. Vijftien vriendelijke gezichten staarden mij aan, mijn hart bonkte in mijn keel.

"Dus jij komt uit Zeeland?" vroeg een oudere man met geheel grijs haar.
"Eh, ja meneer, dat klopt" zei ik op een gematigde toon terug.
Vijf man tegelijk schoten in de lach en ik keek ze wantrouwend aan.

Lachten ze mij nou uit, of sprak ik misschien op een lachwekkende toon?
"Zeg maar Klaas tegen meneer" zei de oudere man op een kalme toon terug.
"Ha, dat gemeneer leert hij hier in een week wel af" zei een opvallend klein mannetje tegen Klaas.
"Tja, dat was in mijn tijd wel anders" grinnikte Klaas "want toen zei je de eerste twee jaar meneer tegen de ouderen, maar die tijd is gelukkig voorbij".
De rest keek hem aan op zo`n manier van daar heb je hem weer met z'n "vroeger".
Ik voelde me al iets meer op mijn gemak en roerde mijn koffie waar helemaal geen melk of suiker in zat.

Voorzichtig keek ik eens rond. Verschillende personen zaten stukken krant te lezen, anderen rookten een sigaretje. Aan de muur hingen verschillende fotolijsten van branden en ongevallen. Wat zou mijn eerste uitruk worden? Ik had er geen notie van hoe vaak er per dag uitgerukt werd.

"Tuuuuuuut"
"Ha, de verlossende piep" zei een grote stevige man, en hij stond op. "Ik wens het jullie, tot donderdag" zei hij.
"Joeh, geniet ervan" zeiden een paar man terug.
Iedereen begon op te staan en ik volgde hun voorbeeld.
"Kom jij maar met mij mee" sprak Henk tot mij, "dan zullen we van jou eens een brandweerman gaan maken".

Langzaam liep de koffiehoek leeg, de B-ploeg ging naar huis en de C-ploeg verzamelde zich in een kantoortje, dat sterke overeenkomsten vertoonde met een aquarium.
"Zo, we zullen jullie eens in gaan delen voor vandaag" zei Henk in het algemeen.
"Klaas rijdt het blusvoertuig, Frits rijdt vandaag de tweede, dus de ladderwagen, hulpverleningswagen of een ander voertuig, ik zeg het vandaag maar een beetje simpel, dan is het voor René ook te begrijpen"
Ik keek met een zoveel mogelijk begrijpende blik naar Henk terug.
"John en Ralph zijn de duikers vandaag en tevens het technisch team"

De term technisch team kende ik nog uit de opleiding. Dit team doet het knip- en wrikwerk om slachtoffers uit de auto´s te knippen na een ongeval. Ook is er nog een beveiliger die al het glas wegvoert en voor de verdere veiligheid zorgt en een gewondenverzorger, die zich om de gewonden bekommert.

"Christ is gewondenverzorger en Tinus beveiliger". "Matthijs heeft verlof en René gaat vandaag mee als extra man om ervaring op te doen".
"Nog vragen...nee? Tsjakaa, aan de slag dan en, oh ja... mannen, kijk in de wagens even naar de wegafsluitingenlijst want er hangt weer een nieuwe in."

Het kantoortje stroomt leeg en iedereen begint aan de dagelijkse controles van de wagens. Een beetje onwennig blijf ik met Henk in het kantoortje achter.
"Wel, we zullen jou nu eerst eens van een uniform voorzien en een helm en bluspak opsnorren" zegt Henk op bijna vaderlijke toon.

Het is twintig minuten later als ik vol trots mijn pak aan de kapstok klaarhang.
Ik heb hetzelfde gevoel als toen ik bij de jeugdbrandweer begon en toen ik mijn pieper voor de vrijwillige brandweer kreeg.
Eindelijk had ik het doel bereikt waar ik altijd zo naar streefde, eindelijk werd mijn droom bewaarheid. Vast werk en bovendien; ik had van mijn grootste hobby mijn beroep gemaakt.

"Ik zal je eerst wat regeltjes vertellen en wat je moet doen bij een alarm, daarna houden we een gesprek met jou en de hele ploeg om je wat beter te leren kennen, en jij ons natuurlijk." sprak Henk op duidelijke toon.
Het werd een lange uitleg en in twee uur tijd werd ik een hoop wijzer. Bij een alarm moest ik op het blusvoertuig mee en het was de bedoeling na alarm binnen een minuut op straat te zijn.

De eerste drie weken moest ik in dagdienst werken, van acht tot vijf, om alle ploegen te leren kennen en zo veel mogelijk kennis op te doen. Na die drie weken zou ik naar de vieren­twintig uursdienst gaan, dat wil zeggen vierentwintig uur werken en achtenveertig uur vrij, maar zo ver was ik nog lang niet.
"We zullen je eens het alarm laten horen, dan weet je waar je op moet reageren" zei Henk.
"Attentie, hier volgt een proefalarm: piep-taatuutaatuutaat­uutaatuu; einde proefalarm!" schalde het uit de intercom in heel het gebouw.
"'s Nachts springt ook de verlichting in heel de kazerne aan." verklaarde Henk.
Een soort opgewondenheid maakte zich van mij meester. Hoe lang zou het duren voordat het eerste alarm komt?

"Oké René, dat rijmt, haha, we gaan nu eerst koffie drinken en daarna zullen we het groepsgesprek eens gaan houden" zei Henk. Op hetzelfde moment hoorde ik het mij al bekend in de oren klinkende "tuuuuuut" hetgeen aangaf dat de koffiepauze begon.

Opnieuw zat ik mijn zwarte koffie te roeren. Klaas kwam naast me zitten en legde een arm om mijn schouder. "De eerste dag is altijd het moeilijkst, maar het went snel zat!" sprak hij vaderlijk. "Ik heb altijd een bootje gehad in Zeeland" zei Klaas. Hij bleek notabene in dezelfde jachthaven te hebben gelegen als mijn ouders met hun boot. Dat schept toch een band.

De pauze was - dankzij Klaas - gelukkig snel voorbij en Henk zei tot de ploeg dat we naar het kleine leslokaal gingen.
Iedereen nam nog een kop koffie mee en we gingen in het leslokaal zitten.
Henk ging voor het bord staan en nam een afwachtende houding aan.
"Ga maar in een cirkel zitten" zei hij.
Ik merkte dat ik mijn kop koffie niet zonder trillen vast kon houden.
Zes man keken mij aan. "De tomaten zijn duur dit jaar!" grapte John over mijn rode hoofd.

"Ha, had je jou moeten zien op je eerste dag." nam Klaas mij in bescherming.

"Goed," zei Henk "we zullen onszelf eens aan elkaar voor gaan stellen. Laten we beginnen met René zelf".
Een beetje onzeker begon ik te vertellen. Ik vertelde dat ik dus uit Vlissingen kwam, eenentwintig was en altijd al bij de brandweer wilde. En dat ik vrijgezel was en waar ik was komen wonen.
Na vijf minuten was ik ervan overtuigd dat ze alles van me wisten. Nu begonnen de anderen te vertellen, over hun vrouwen, kinderen en waar ze woonden.

Opvallend was dat iedereen gelijk al zei dat ik overal welkom was. Maar dit waren allemaal volwassen kerels die ook wel inzagen dat ik hier zomaar in m'n eentje kwam binnenvallen. Ik voelde mezelf al een stuk gemakkelijker bij "mijn" ploeg.

"Goed jongens, dit was het voor wat mij betreft" begon Henk "en we gaan nu..."
"Piep...taatuutaatuutaatuutaatuu; attentie, ernstig ongeval met trein, Churchilllaan met de Deurnese­weg".
Met grote snelheid schiet iedereen overeind en haast zich naar de voertuigen. Ik spring in mijn laarzen, trek mijn uitrukbroek over mijn gewone broek heen en doe rennend naar de wagen mijn jack aan.
De garagedeuren van het blusvoertuig en het hulpverlenings­voertuig gaan automatisch open. Ik hoor in de verte de sirene van een ambulance.
Motoren starten, de verkeerslichten op de hoofdweg voor de kazerne springen op rood, zwaailichten en tweetonige hoorn gaan aan en daar gaan we. Op naar mijn eerste "beroepsklus".
De alarmcentrale geeft over de mobilofoon door dat er iemand onder de trein is geraakt en we worden met spoed ter plaatse verzocht.
Mijn hart bonkt wederom in mijn keel. Waar gaan we nu toch heen, iemand onder de trein, dat kan toch nooit goed zijn?

Na een rit van nog geen twee minuten zijn we ter plaatse. De conducteur van de trein komt gelijk naar ons toegerend. "Ik vrees dat het te laat is." zegt hij.
Met flinke pas, net niet rennend, lopen we naar de plaats des onheils. Ongeveer honderd meter voorbij de spoorwegovergang ligt het slachtoffer, halfverwege de trein. Het slachtoffer is min of meer in tweeën, zijn benen liggen aan de ene kant van de rails, zijn bovenlijf en hoofd aan de andere kant. De rest ontbreekt.
De machinist staat er wat onthutst bij te kijken.
"Niet op het spoor staan, maar aan de kant, er kan nog treinverkeer komen" zegt Henk op strenge toon tegen mij. Wat onwennig sta ik het geheel vanaf de kant te bekijken. Ook de passagiers in de trein kijken onzeker in het rond.
Frits en Klaas komen met een zwart zeil en dekken de stoffelijke resten af, terwijl John en Ralph het spoor in de gaten houden.
"Het spoorwegverkeer is stilgelegd." klinkt uit de portofoon van Henk.
"Begrepen!" geeft hij aan de alarmcentrale door.

Met z'n allen gaan we terug bij de wagen staan. Politie en ambulancedienst staan nog bij het afgedekte lichaam. Een eveneens ter plaatse geroepen arts stelt officieel de dood vast. Henk komt naar mij toe en legt het een en ander uit over het werken langs het spoor.

Na ongeveer een kwartier komt de begrafenisondernemer met een kist en we assisteren bij het bergen van het slachtoffer. Bewust laat Henk mij hierbij helpen. Ik moet speciale hand­schoenen aan. Na vijf minuten hebben we alles verzameld.
De trein mag langzaam gaan rijden en Henk geeft aan dat we teruggaan naar de kazerne.

Opvallend voor mij is de houding van mijn nieuwe collega's: het lijkt wel of dit "normaal" werk voor hen is, of zou het een bepaalde manier van verwerken zijn?
Daar zal ik in de loop van de tijd wel achterkomen. Mijn eerste klus zit erop.

Het is half één als we aan de warme maaltijd beginnen, door de uitruk een half uur later dan normaal gebruikelijk is. Het menu verschaft gekookte aardappels, boontjes, kip en chocoladevla na.
Iedereen zit rustig te eten. Als ik begin met het ontleden van mijn kip moet ik gelijk weer aan de uitruk van daarstraks denken. Zouden zij dat ook hebben?
John zit te vertellen over zijn vakantie in Spanje, waarvan hij net is teruggekomen. Het lukt me niet mijn gedachten bij zijn verhaal te houden.
Zou dat hier elke dag zo gaan? Ik bedoel, ik ben drie uur binnen en heb mijn eerste dode al.

"Smaakt het, René?" vraagt Klaas plotseling. Een siddering gaat door mijn lichaam, omdat de aandacht nu plotseling op mij is gericht. "Eh...ja hoor, lekker!" antwoord ik.
"Heb je al vaker doden meegemaakt?" vraagt John.
"Ja, drie keer eerder, maar dat was ook over drie jaar verdeeld." zeg ik terug.
"Er komen er nog veel bij, reken daar maar op!" belooft Henk mij.
Er valt een stilte en eenieder eet zijn bord leeg.

Op de een of andere manier blijf ik aan de uitruk van 's ochtends denken.
Hoe ver zit iemand wel niet in de put voordat hij voor de trein springt?
Dan moet het toch echt mis zijn; en bovendien...daar is toch lef voor nodig.

Ik ben samen met John de autoladder aan het controleren. John maakt de accu's schoon en ik controleer de inventaris. "John?" zeg ik op vragende toon. "Ja?" klinkt het terug uit de ruimte waar de accu's zich bevinden en waar John met de bovenste helft van zijn lichaam inhangt.
"Vind jij dat nou niet rot, zo'n uitruk als vanochtend?"
John veert op en stoot gigantisch hard zijn hoofd. "Au, shit, heb ik weer, eh...rot, tja!"
John fronst zijn wenkbrauwen zo hoog, dat zijn voorhoofd door vele rimpels verandert in een berglandschap.

"Het is iets dat gewoon bij ons vak hoort, dergelijke dingen zijn natuurlijk nooit leuk, maar als je er zo een stel gehad hebt dan denk je er niet meer zo over na" zegt hij, nawrijvend over zijn hoofd.

Henk komt grinnikend aangelopen. "Wat zag ik, stootte je je kop weer eens?" vraagt Henk met pretoogjes. "Hmm, ja," mompelt John terug. "We hadden het net over vanochtend" vervolgt John. "Oh, ja, van die trein, hoe kijk je daar tegenaan, René?"
"Eh ja, beetje vreemd zo, de eerste dag. Gaat dat hier altijd zo?"
Henk kijkt bedenkelijk naar John en zegt: "nou, nee, daar valt eigenlijk geen peil op te trekken; de ene keer heb je er drie achter elkaar, en zo maanden geen enkele."
"Maar als je er met ons over wilt praten dan is dat altijd goed, want de machocultuur van vroeger is bij deze brandweer al lang voorbij." zegt Henk.
"Nou, zo erg is het ook weer niet, maar gewoon, beetje vreemd zo, op de eerste dag" zeg ik terug.
"Wees gerust, dat hebben we allemaal gehad, geloof me" verklaart John..
"Ach ja" roept Henk en loopt weer verder door de garage.

Toch aardige lui, denk ik bij mezelf. Ik heb het gevoel dat ze mij wel zullen steunen als het nodig is. Ik ga weer verder met controleren, met een tevreden, rustig gevoel.

De rest van de middag blijft het rustig en om vijf uur ga ik naar mijn huisje. De ploeg zegt mij gedag, mijn eerste dag zit erop.
Toch een vreemd gevoel als je dan thuiskomt en je draait de sleutel in het slot om. Gelijk begin ik mijn moeder te bellen om te vertellen wat ik allemaal heb meegemaakt.
Als ik weer ophang is het alsof ik een beetje in een gat val. Ik loop naar de keuken om iets te eten klaar te maken.

Na een half uur heb ik een complete warme maaltijd in elkaar geflanst, maar het smaakt toch niet als thuis. Ondanks de goed verlopen dag heb ik een eenzaam rotgevoel. Vrienden hadden mij nog gewaarschuwd dat ik moest zorgen een hobby of tijdverdrijf naast de brandweer te vinden en dat begrijp ik nu maar al te goed. Mensen leren kennen en leuke dingen doen, daar zal ik toch zelf voor moeten zorgen.

De tijd zal het leren.