Dakwerk is vakwerk

Whoeaaaaa…. Met luid gebrul drukt Marcel een halter met een gewicht van minstens zestig kilo boven zich uit. Zijn hoofd wordt vuurrood, en op zijn slapen worden kleine adertjes zichtbaar. Ongelofelijk wat een kracht die gozer heeft! Ik stap op de roeimachine. Een klein half uurtje roeien. Doe ik elke dienstdag tijdens het sportuurtje. Het valt vandaag niet mee, ik ben nogal stijf van het zwemmen een dag eerder. Net als ik midden op de oceaan zit weerklinkt het intern alarm. “Attentie, brandalarm brandweer Helmond, dakbrand Beelsstraat centrum”

Tijdens dit uitrukbericht spoedden we ons met heel de ploeg naar de voertuigenhal en trekken onze pakken aan. Ik stap achterin het blusvoertuig en begin met het omhangen van mijn ademluchtoestel. Han start de wagen en schakelt de optische en akoestische signalen in. Het verkeer op de Deurneseweg voor de kazerne is reeds tot stilstand gekomen dankzij de verkeerslichteninstallatie die wij zelf aan kunnen sturen. We draaien de weg op richting het centrum, op de voet gevolgd door de hoogwerker. In de verte is reeds een zwarte rookpluim waar te nemen. Dat beloofd wat!

Volgens de alarmcentrale woedt er brand op het dak van twee woonhuizen, en ook binnen zou er reeds sprake zijn van vuurverschijnselen. Naar aanleiding van deze mededeling en het waarnemen van de zwarte rookwolk besluit Peter, de bevelvoerder, op voorhand het nader bericht “Middelbrand” te geven. Hierop wordt een tweede blusploeg gealarmeerd.

Als we de Beelsstraat indraaien zien we halverwege de straat een man met een rood t-shirt druk naar ons staan zwaaien. Achter hem slaan de vlammen hoog boven een woonhuis uit. We stoppen iets voorbij het brandende pand, zodat achter ons mooi de hoogwerker op kan stellen.
“Er is niemand meer binnen, maar op het brandende dak staat nog wel een gasfles” meldt de man in het rode t-shirt ons.” Onmiddellijk geeft Peter dit aan ons allen door via de portofoon.

Terwijl Guus en Pieter de hoogwerker opstellen ga ik samen met Joop onder bescherming van ademlucht met een straal het brandende pand binnen. Als we door het trapgat naar boven kijken zien we op de 1e verdieping een behoorlijke rookontwikkeling. We lopen de trap op en trachten de vuurhaard waar te nemen. Achter op de overloop blijkt een deel van het houten schrootjesplafond volop te branden. Binnen de tien seconden hebben we het vuur er af met een minimumverbruik aan water.

Ondertussen hebben Guus en Pieter de brandhaard op het dak ook onder controle, de tweede blusploeg kan onverrichter zake terugkeren naar de kazerne. De gasfles is buiten het bereik van het vuur gebleven. Terwijl de mensen op het dak het dakleer verwijderen en de laatste vuurresten doven, trekken Joop en ik het schrootjesplafond uit elkaar. De bewoners van het huis hebben geluk. De brand is redelijk binnen de perken gebleven. Aangezien het een erg oud pand is met veel hout had deze brand heel anders af kunnen lopen.

 Als ik buiten kom staat de man met het rode t-shirt met Peter te praten.
“Ik dacht dat ik dat stukje dakleer wel vast kon branden tegen dat houten beschot. Maar alles begon plotseling te roken, en een brandblusser had ik niet zo snel bij de hand”

Wat een prutser… Als hij uitgepraat is en omdraait, met de rug naar ons toe, schiet ik in de lach. Op zijn rug staat in grote letters “dakwerk is vakwerk”…