|
Het brandweervirus These weeks were the first weeks of the rest of my life (Kim Stevens, momenteel werkzaam bij de brandweer in Maastricht) Het brandweervirus. Velen zijn erdoor besmet en velen zullen nog volgen. Het is een hardnekkig en levensbedreigend virus dat lichaam en geest aantast. Je kan er zomaar door besmet worden of er erfelijk mee belast zijn. De symptomen zijn: een onbedwingbare behoefte om mensen te helpen, drang naar actie en spanning, felle en explosieve reactie op sirenes en aanspringende lampen, veel behoefte aan fysieke inspanning en altijd in voor een goede grap (of minder goede grap). Ik ben er nog niet zo lang geleden door getroffen en ik ben nog niet eraan gewend dat ik er drager van ben. In mijn geval was het een combinatie van erfelijke factoren en stom toeval. Dit is mijn verhaal van het begin van een nieuw leven.
Het begon allemaal in 1978, het jaar dat ik geboren ben. Mijn vader werkte bij de toenmalige PTT Post. Daar hadden ze mensen tekort bij de bedrijfsbrandweer en aangezien hij toen nog een jonge kerel was, vroeg zijn chef of hij daar iets voor voelde. Hij dacht: 'Waarom niet?', en besloot het te doen. Na een jaar of drie viel zijn oog op een advertentie van de vrijwillige brandweer in zijn woonplaats, waar gevraagd werd naar nieuwe brandwachten. Hij solliciteerde en werd in maart 1981 aangenomen. Vanaf toen leefde hij voor het korps. Maandagavond oefenen, donderdagavond sporten, één avond in de week cursus, om de twee weken een week dienst en hij deed de administratie voor het korps. En dat allemaal naast zijn fulltime baan. Wat mij vooral bijgebleven is, is dat alles voor zijn pieper moest wijken. Op het moment dat hij alarm kreeg, stoof hij weg. Mijn broertje en ik mochten vaak mee naar de kazerne en later zelfs mee toen er in Limburg wateroverlast was en de brandweer overal ging helpen. In die tijd waren vrouwen nog immuun voor het virus, maar dat veranderde in de loop van de jaren. Ook ik ben er nog geruime tijd immuun voor geweest. Tot een half jaar geleden de eerste symptomen zich langzaam begonnen te openbaren. Na het gymnasium ben ik psychologie gaan studeren aan de universiteit in Nijmegen. Al in het tweede studiejaar wist ik dat het beroep van psychologe niets voor mij was. Toch heb ik de studie afgemaakt, omdat ik het een boeiend onderwerp vond en nog steeds vind. In mijn laatste jaar ging ik dus op zoek naar een baan die bij me paste. Tijdens mijn zoektocht stuitte ik op een artikel over de opleiding tot beroepsofficier van het Nibra. Op dat moment kwamen alle herinneringen naar boven over de ervaringen die ik had bij het korps van mijn vader. Mijn vader was vier jaar eerder in 1997 gestopt, dus ik had allang geen directe binding meer met de brandweer. Maar de opleiding leek me wel wat. Toen ik naar de voorlichtingsdag was geweest, was ik verkocht. In het kort worden mensen er opgeleid tot leidinggevende specifiek voor de brandweer en tot officier van dienst bij een uitruk. Een officier van dienst komt onder meer ter plaatse als er meer dan twee bluseenheden opgeroepen zijn. De selectie was streng en bestond uit een fysieke test, een psychologische en een gedragstest, een sollicitatiegesprek met een brandweercommandant en een medische test. Gelukkig kwam ik er door en werd ik per 1 september 2001 aangenomen voor de 41e officiersopleiding, samen met 23 anderen. De symptomen waren toen nog in lichte vorm aanwezig, maar werden steeds sterker, totdat het virus zich in alle hevigheid openbaarde in februari van dit jaar. Na veel saaie theorielessen en opwindende praktijklessen was het in februari dan uiteindelijk zo ver: mijn eerste stage in een beroepskorps. Vier weken lang zouden we mogen proeven hoe het is om in een 24-uurs dienst mee te draaien met een ploeg. Na het verdelen van de beschikbare stageplaatsen kwam ik terecht bij brandweer Helmond. Ik wist totaal niet wat ik moest verwachten. Ik wist inmiddels dat het beeld dat ik altijd van de brandweer had sowieso achterhaald was en bovendien van een vrijwillig korps was. Eigenlijk was ik er niet zo gerust op of ik me wel thuis zou voelen in de mannencultuur van de brandweer en of ik 's nachts wel op tijd in de wagen zou zitten bij een alarm. En nog meer van die kleine onnozelheden. Maar met frisse moed reisde ik op maandagochtend af naar Helmond. Na een gesprek met mijn stagebegeleider werd ik door één van de bevelvoerders door de kazerne rondgeleid. Ik was in mijn nette, witte uniform gekomen, maar algauw heb ik dat verruild voor mijn blauwe werkuniform. Ik mocht meteen mee als er een uitruk kwam. Helaas gebeurde er die eerste dag en ook die eerste nacht niets. Met de hoogwerker zijn we alleen een antenne van woonhuis gaan verwijderen, een zogenaamde dienstverlening, waar de opdrachtgever voor moet betalen. Stiekem was ik er toch blij om, want ik was veel te bang dat ik niet snel genoeg mijn bluspak aanhad. Maar aan de andere kant was ik voor actie gekomen en wilde ik veel meemaken. Ondertussen wist ik nog steeds niet wat er zou gebeuren als er een alarm was. Was het een toeter? Of een bel? Misschien alleen een stem of een piep? Bij elke geluid uit de intercom schrok ik op, om vervolgens te zien dat iedereen gewoon door ging met zijn werk. Toch geen alarm. En een hoop geluiden dat er uit de intercom kwamen! Voor en na elke pauze een langgerekte piep, een toeter voor de deurbel, een riedeltje voor een intern bericht en dan al die geluiden van de brandweervoertuigen die werden getest. Eindelijk was het dinsdagavond dan zover: mijn allereerste echte uitruk. Om 22.33 uur sprong iedereen na een: 'tatu, tatu' op en ik erachter aan! We kregen een melding van een buitenbrand. Mooi, mijn eerste echte vuur! Normaal gesproken wordt er uitgerukt met twee voertuigen, maar omdat er overbezetting was, gingen we met drie voertuigen. Ter plaatse bleek dat er kortsluiting was ontstaan in een kastje van de kabel-TV. De vlammetjes waren nauwelijks 10 centimeter groot. Met z'n tienen stonden we ernaar te kijken, totdat iemand een koolzuurblusser pakte en er met één druk op de handel een eind aan maakte. Dat was dan mijn eerste brand. Teleurgesteld stapte ik even later weer in de brandweerauto en om 22.49 uur waren we weer terug in de kazerne.
Overdag was er zo nu en dan een uitruk, soms twee op een dag, maar niets spectaculairs. Ik was er nog steeds niet achter of en hoe ik 's nachts uit bed kon komen bij een alarmering. Voor de zekerheid hield ik mijn kleren 's nachts aan op mijn broek en schoenen na en liet ik de deur op een kier staan voor licht vanaf de gang. Mijn sokken durfde ik niet uit te doen, omdat die het lastigst zijn om aan te trekken. Elke nacht was dat nog voor niets geweest. Tot de nacht van vrijdag op zaterdag van mijn tweede stageweek. Om 04.29 uur werd ik met een schok wakker. Het alarm! Gelukkig ging de lamp op mijn kamer aan, waar ik toch niet zo zeker van was geweest en kwam ik met al mijn kleren behoorlijk aan in de remise. Ik was niet eens de laatste. Snel trok ik mijn bluspak aan en stapte achter in de tankautospuit. Er was door de politie een brand in een leegstaand schoolgebouw gemeld. Ter plaatse aangekomen maakte de bevelvoerder er algauw middelbrand van, wat betekent dat er nog een extra blusvoertuig wordt opgeroepen en dus ook een officier van dienst. Na niet lang maakte hij er zelfs grote brand van voor nog een derde blusvoertuig. Ik dacht dat ik nog in bed lag te dromen. Mijn eerste nachtelijke uitruk en nog een grote brand ook! Mijn geluk kon al helemaal niet meer op toen ik nog mee naar binnen mocht ook. Het duurde nog een hele tijd voordat het vuur eraf was, maar in die tijd heb ik echt genoten van het brandende pand en alle drukte om me heen. Het nablussen namen de vrijwilligers voor hun rekening, zodat wij de kazerne weer konden gaan bemannen voor eventuele ander incidenten. Het brandweervirus begon zich te verspreiden door mijn lichaam en mijn geest.
Om er een beetje aan te kunnen wennen en om eerst eens te kunnen observeren wat brandweermannen doen bij een uitruk, heb ik me de eerste tijd vooral toegelegd op het maken van foto's tijdens de inzetten. Tot we een aantal dagen na de schoolbrand 's avonds een melding kregen van een autobrand. Die had ik de week ervoor al meegemaakt en ik wilde nu eens iets doen, dus ik liet het fototoestel ingepakt in het voertuig liggen. Al onderweg vroeg ik of ik kon blussen, maar er werd me te verstaan gegeven dat ik dan toch snel moest zijn. Er gold namelijk dat de eerste die uit het voertuig was en een hoge drukslang te pakken had, de brand kon blussen. De rest had het nakijken. Voor de zekerheid hing ik mijn ademlucht om. Tuurlijk was ik te laat bij de haspels, maar een vrijwilliger die een dienst mee draaide, overhandigde me zijn slang. Toen kon ik gaan blussen! Heerlijk vond ik het en met aanwijzingen van de bevelvoerder ging het best redelijk. Wat een geweldig gevoel om zoiets uit te kunnen maken! Ik kreeg wel commentaar van de andere bevelvoerder dat ik mijn fototoestel niet gebruiksklaar had liggen, want hij wilde actiefoto's van mij maken! Nooit gedacht dat een bevelvoerder uit zichzelf voor mij foto’s wilde maken! Voldaan kroop ik even later weer achter in de wagen en reden we terug. Voor mij kon de avond niet meer stuk. Maar het absolute hoogtepunt moest nog komen. We waren nog geen half uur op de kazerne, toen we er weer uit mochten. Een vrachtwagenaanhanger tot de nok toe gevuld met autobanden stond op een industrieterrein in de fik. Hiervoor namen we het schuimblusvoertuig mee. Het was nog een heel gedoe om de brand uit te krijgen. Eerst probeerden we het met hoge druk, daarna met lage druk, vervolgens werd er een slang in de aanhanger gehangen met als doel hem vol water te laten lopen. Ondertussen hadden we het schuimblusvoertuig ingezet, maar daarvan was het schuim niet dik genoeg. De brandkranen waarop we de slangen hadden aangesloten functioneerden niet goed, dus daarom werd er middelbrand gegeven, zodat de vrijwilligers ervoor konden zorgen dat we wateraanvoer vanaf het kanaal kregen. Tenslotte gebruikten we schuimvormend middel van de blusvoertuigen en eindelijk doofden de vlammen. Ik vond het mooi om toe te kijken en mocht later nog mee blussen ook. De avond eindigde voor mij in een schuimbad. Twee weken lang hadden de brandwachten mij ongemoeid gelaten en nu ik niet op mijn hoede was, hadden ze me zo in het schuim gelegd. Ze waren erg sportief en kwamen er nog even gezellig bij liggen ook. Een half uurtje later was ik kletsnat weer terug in de kazerne. Er was zelfs water in mijn bluspak gelopen. Ik kreeg zolang een reserve pak zodat mijn eigen pak kon drogen en ik toch mee kon met een volgende uitruk.
Het tweede weekend was nu aangebroken. Ik had het erg naar mijn zin bij de brandweer en elke keer als ik naar huis ging, leek het wel alsof de mooiste dingen gebeurde. Eigenlijk wilde ik niet naar huis, maar omdat het thuisfront dat toch wel op prijs stelde, ging ik schoorvoetend twee dagen naar huis. Ik wist het nu zeker: het virus had toegeslagen en toonde zich onherroepelijk. Ik kreeg na het weekend in de gaten dat de stage er nu bijna op zat, terwijl ik nog zoveel wilde doen. Het laatste weekend heb ik niet eens meer de moeite genomen om een aantal dagen naar huis te gaan. Ik was erg moe omdat er steeds vaker ‘s nachts meldingen binnen kwamen, dus puur uit vermoeidheid ben ik één nachtje thuis gaan slapen. Ik wist niet hoe snel ik weer terug moest rijden. Ondertussen had ik ook nog een ongeval met beknelling meegemaakt en was ik mee naar binnen geweest in een brandend huis, dus al met al had ik een aantal mooie inzetten meegemaakt. Maar ploeg A vond dat ik nog meer inzetten mee mocht maken en ensceneerde een alarm. Ze waren in hun bluspakken in de brandweervoertuigen gaan zitten met draaiende motor. Vervolgens hadden ze de alarmcentrale gevraagd of ze een melding wilden doen voor Helmond van een uitslaande brand in een woning. Ze hadden gewacht totdat ik in bed lag, dus het alarm ging af en ik rende zoals gewoonlijk mijn broek dichtmakend naar de remise toe. Tot mijn stomme verbazing zag ik nog net hoe de voertuigen zonder mij de kazerne uit reden. Ik snapte er niets van: was ik niet snel genoeg en waarom hadden ze niet even gewacht? Ik trok mijn bluspak maar weer uit en besloot te gaan luisteren naar het mobilofoonverkeer in één van de achtergebleven voertuigen. Op een gegeven moment kwamen ze terug en begonnen te toeteren. Ik rende dus snel naar mijn uitrukkleren, trok ze weer aan en wilde naar buiten lopen. Maar ze reden weer achteruit richting de poort, dus ik trok alles maar weer uit. Vervolgens kwam de bevelvoerder de kazerne in lopen en maande me aan tot spoed. Ik dus maar mijn laarzen en mijn jas opgepakt en op mijn sokken naar buiten gerend en daar de brandweerauto ingestapt. Alles weer aangetrokken en mee ter plaatse gereden. Daar was natuurlijk niets te zien, dus we keerden terug. Ik had nog steeds niets in de gaten en had voor alles een reden bedacht waarom het zo liep. De bevelvoerder sprak me nog erop aan dat ik zo laat was en op dat moment keek hij naar boven. Ik volgde zijn blik en zag op een hoger gelegen vloer in de remise één van de brandwachten staan met een videocamera. Pas toen begreep ik dat het allemaal in scène gezet was en alles opgenomen was! Ik vond mezelf zo stom dat ik alles maar voor werkelijk aangenomen had, maar ik vond het wel een goeie mop. Iedereen had eraan meegewerkt en later zou ik het filmpje nog krijgen. Het was die avond weer laat voordat ik weer in bed lag.
Wat betreft uitrukken bleef het redelijk rustig, maar wat betreft geintjes bereikte mijn stage zijn hoogtepunt. Ploeg C vond namelijk dat ze niet achter konden blijven en hadden in een onbewaakt ogenblik de sleutel van mijn slaapkamer omgeruild voor een andere, toen ik mijn sleutelbos in de woonkamer had laten liggen. Mijn trui was daar ook achtergebleven, dus die vond ik gelijk niet meer terug. Maar goed. Ik wilde wat spullen op mijn slaapkamer leggen en merkte dus dat de deur op slot was. Mijn sleutel werkte niet, dus ik wist gelijk hoe laat het was. In de werkplaats ben ik toen een aantal schroevendraaiers gaan halen, maar die konden de klus niet klaren. Ik herinnerde mij dat ik mijn raam open had laten staan en aangezien die op de eerste verdieping was, zou ik er makkelijk bij kunnen komen met een ladder. Als ik dan al mijn spullen in tassen inpakte en naar een andere kamer zou verhuizen, kon ik later in ieder geval gewoon gaan slapen. Zo gezegd, zo gedaan. Uit de remise haalde ik een ladder en een touw met haak en liep ermee om het gebouw heen naar het raam toe. Ik klom omhoog en hoorde toen dat ze vanaf de gang de kamer weer open maakte. Ze hadden in de gaten gekregen wat ik van plan was en maakten er nu een eind aan, zodat er geen ongelukken zouden gebeuren. Maar ze vonden het goed opgelost van mij. Dat was ook weer gebeurd. Nu mijn trui nog terugvinden. De volgende dag was mijn laatste dag, dus ik moest hem wel terug hebben. Ik vermoedde wel dat de andere brandwachten er meer vanaf wisten, dus ik ging maar gewoon slapen. Erom vragen zou toch niet helpen en zoeken evenmin. De volgende ochtend werd de trui me weer terug gegeven. Alleen had hij in de diepvries gelegen, dus aantrekken ging een beetje moeilijk! Het was nu een heel koude kubus geworden. Ik was toch blij hem weer terug te hebben, dus ik legde hem met alle andere spullen in de auto, klaar om deze keer definitief naar huis te rijden. Het afscheid viel me nog zwaar, maar na de lunch reed ik dan toch maar naar huis. Ik had het de laatste vier weken erg naar mijn zin gehad en ze waren sneller omgegaan dan me lief was. Ik realiseerde me dat ik nu het ongeneeslijke stadium had bereikt van het brandweervirus en dat ik het de rest van mijn leven bij me zal dragen. Ik zal ermee moeten leren leven, net als al die andere duizenden getroffenen. Dit verhaal draag ik op aan alle slachtoffers van het brandweervirus in het algemeen en de mensen van brandweer Helmond in het bijzonder. Ik wilde iedereen daar bedanken voor de inspanningen die zij verricht hebben om mijn stage onvergetelijk te maken. Ik wens hen en vooral hun partner en familie veel kracht toe om het virus een plek te geven in hun leven. |